Piloot van goed en kwaad

Een paar jaar geleden las ik het boek Piloot van goed en kwaad. Langzaam, om er zo lang mogelijk van te genieten. Afgelopen zomer had ik zin het te herlezen. Opnieuw trof mij de schoonheid. Vier maanden heb ik er over gedaan, net zo lang als Joost Conijn over zijn indrukwekkende tocht.

Zijn hele leven al en tijdens zijn opleiding aan de kunstacademie in het bijzonder wordt Joost Conijn (1971) door twee zinnetjes achtervolgd: ‘dat kan niet’ en als het wel bleek te kunnen ‘dat mag niet’. ‘Dákannie’ of ‘Dámagnie’ brachten hem ertoe datgene te doen wat onmogelijk werd geacht.

Het adagium is doen. Helemaal gaan; een plan, een reis, een film. Bevlogen, bewust onbevangen.

Hij bouwde zelf een vliegtuig en vloog daarmee van Lelystad naar de binnenlanden van Afrika. Omdat hij met eigen ogen wilde zien wat er gaande is in de wereld. Hij bezocht de meest onherbergzame gebieden in het oerwoud. Hij landde op rafelige stukjes asfalt en kreeg eten en een slaapplaats van de verwonderde mensen voor wie hij zomaar uit de lucht kwam vallen. Hij vond het bijna niet te bevatten zo spannend, maar overwon zijn angsten en maakte de tocht waarvan hij droomde.

“Het verschil tussen vooruitblikken en terugkijken is overwonnen angst. De angst verdampt wanneer je op het gevaar afgaat. Ik ben door de angst heen gegaan, de gevaarlijkste landen heb ik achter me gelaten. Je ondergaat iets waardoor alles inzichtelijk wordt.”

Als hij landde, was hij nooit alleen. Overal waar hij kwam, werd hij opgenomen als in een familie. Als hij een probleem had, vonden zij dat ook hun probleem. Hij had de reis graag gefilmd, maar vliegen en filmen gaan niet samen. Hij schrijft op zo’n vanzelfsprekende manier over zijn reis, zonder sentiment of sensatie, dat je bijna vergeet dat hij iets doet wat niemand zou verzinnen. Het is een verslag van de dingen die hij heeft gezien en meegemaakt, geïllustreerd met foto’s en reisdocumenten. Hij wil een ander beeld geven dan het gangbare. Hij schrijft:

Met het vliegen wordt het niks meer vandaag. Het zijn aardige, slimme jongens, maar het is een militair eigen om altijd op zijn hoede te blijven, merk ik. Vertrouwen doen ze me niet, ik blijf een verdachte met een geheime opdracht. Ze vragen zich af hoe iemand met twee verschillende sokken over de jungle kan vliegen en hier komt landen in Nzara. Het kan geen gek zijn. Ze eisen een verklaring. ‘Not a fool can build and fly this this airplane.                                                                                                                                         Nee, ik ben niet gelovig. Hoe weet je dan ‘what is wrong or right’, vraagt een van de piloten. Je moet een ijkpunt hebben en dat kan alleen maar God zijn. Goed en kwaad zijn niet absoluut, antwoord ik, het is een afspraak die in elke tijd weer anders is. ‘Nu sta ik aan jouw kant,’ zegt de piloot die me tot nu toe voor een spion hield. ‘Elkaars waarheden bestrijden leidt tot oorlog,’ concludeert hij. ‘Jij komt hier landen,’ zegt de gelovige piloot, ‘wij dachten dat daar een verbod op lag, en nu leg je ons uit dat goed en kwaad niet absoluut zijn. We zullen ons jou herinneren als de piloot die ons kwam vertellen dat goed en kwaad niet bestaan.’