‘Mijn eenzaam leven wandelt in de straten’

Wie op begraafplaats Westduin zoekt naar zijn graf, wandelt er vermoedelijk voorbij. Het ligt op een donker plekje, overwoekerd met planten en onkruid. Schuif het onkruid maar opzij, dan zie je een opvallend kleine grafsteen voor een belangrijke Haagse dichter: Martinus Nijhoff (1894-1953).  Ken je deze?: ‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien’. That’s him.

De wandelaar (zie helemaal onderaan dit blog) vind ik een van zijn mooiste gedichten en wel om de beginregel: ‘Mijn eenzaam leven wandelt in de straten’. Ik loop graag over onze lange Laan van Meerdervoort. En op heldere avonden, wandelend in het schijnsel van lantarenpalen langs de laan, terwijl warm licht door de ramen van grote Herenhuizen de stoep verlicht, vooral dan komt deze dichtregel van Nijhoff bij me op.

Lees je het hele gedicht, dan ontmoet je ‘een eenzaam leven’ dat door de straten loopt. Er lijkt een verwijdering te zijn tussen de ‘ik’ en het leven, want de ‘ik’ loopt niet ín een landschap maar erlángs en er stroomt geen bloed meer door zijn dode handen.

In de volgende drie strofen wordt dat idee versterkt. Eerst de kloosterling, die een teruggetrokken bestaan leidt, zich toelegt op een vita contemplativa. Hij kijkt naar buiten en aanschouwt het leven met mensen en matrozen die genieten op een zonnig grasveld en op de kade. Zonnig, zingend en buiten tegenover ernstig, somber en  binnen.

Dan de kunstenaar uit de Renaissance, de homo universalis. Hij werkt aan zijn schilderijen, ‘teekent den glimlach van een vrouw’. Leonardo da Vinci en zijn Mona Lisa? Hij bestudeert de anatomie van zijn gezicht en werkt s’nachts als de wereld in diepe rust verzonken is.

Ten slotte de dichter, de bohémien. Overdag met zijn neus in de boeken en s’nachts in een café. Salomé verwijst naar een bijbels figuur, die haar aandeel heeft in de dood van Johannes de Doper: ze vraagt als beloning voor haar dans zijn hoofd …

De ‘ik’ leeft afgezonderd, zoals de optocht van schimmen uit het verleden: hij ziet de rest van de wereld, het leven, maar is niet in staat het ‘aan te raken’. In het gebruik van ‘kan’ sluimert onmacht: hij wil wel, maar is niet in staat. Hij is toeschouwer, geen deelnemer. Een stoet van beelden zag hij voorbij komen: zijn dat de beelden van personen uit de geschiedenis of beelden uit zijn leven? Is de ‘ik’ Nijhoff zelf? In ieder geval is het een mozaïekspel zonder perspectieven: hij leeft niet écht.

De Wandelaar

Mijn eenzaam leven wandelt in de straten,
Langs een landschap of tusschen kamerwanden.
Er stroomt geen bloed meer door mijn doode handen,
Stil heeft mijn hart de daden sterven laten.

Kloosterling uit den tijd der Carolingen,
Zit ik met ernstig Vlaamsch gelaat voor ’t raam;
Zie menschen op een zonnig grasveld gaan,
En hoor matrozen langs de kaden zingen.

Kunstenaar uit den tijd der Renaissance,
Teeken ik s’nachts den glimlach van een vrouw,
Of buig me over een spiegel en beschouw
Van de eigen oogen het ontzaglijk glanzen.

Een dichter uit den tijd van Baudelaire,
– Daags tusschen boeken, ‘s nachts in een café-
Vloek ik mijn liefde en dans als Salomé.
De wereld heeft haar weelde en haar misère.

Toeschouwer ben ik uit een hoogen toren,
Een ruimte scheidt mij van de wereld af,
Die ‘k kleiner zie en als van heel ver-af,
En die ik niet aanraken kan en hooren.

Toen zich mijn handen tot geen daad meer hieven,
Zagen mijn oogen kalm de dingen aan:
Een stoet van beelden zag ik langs mij gaan,
Stil mozaïekspel zonder perspectieven.

Uit: Martinus Nijhoff: Verzamelde gedichten. Amsterdam, 2001.