Is dit een mens

‘Vertel mij, oh muze, over de vindingrijke man die alleen rondzwierf …’ Het begin van de Odyssee, soms word ik eraan herinnerd. Zo ook bij het lezen van Is dit een mens (Primo Levi). Dagen, weken en inmiddels alweer enkele maanden vroeg ik me af of dit een blog was. Hoe kun je immers schrijven over de verschrikkingen die Primo Levi meemaakte in Auschwitz, zonder de essentie teniet te doen? De kern is niet in andere woorden uit te drukken dan die van de overlevende. Dat alleen al is een reden om dit boek te lezen en om er een blog aan te wijden.

Odysseus …
Een passage die me zeer bijbleef, las ik ongeveer halverwege het boek. Dan probeert Levi een medegevangene wat Italiaans te leren door te citeren uit Dante’s Divina Commedia en dit te vertalen. Hij kiest het moment dat Dante Ulysses ontmoet, die met zijn trouwe metgezellen een zuilengrens in zee passeerde. Hercules wilde met deze grens de mens(heid) verhinderen verder te varen. Levi citeert wat Ulysses zijn reisgenoten vertelt zodat zij hem volgen:

Bedenkt u uit welk zaad gij gesproten zijt:
niet om als vee te leven schiep men u,
maar om te reiken naar het hoogste en het beste                                                            

Ulysses ziet in de verte, voorbij de zuilengrens, een berg opdoemen. (In feite de Louteringsberg, voorbij de wereld van de levende mensen. A bridge too far dus.).

Toen ik een berg ontwaarde, donker
Door de afstand; en zo hoog scheen die mij toe
als ik nog nooit een bergtop had gezien.

Ulysses overschrijdt in zijn overmoed de grens. De boeg van het schip verdwijnt in zee: … zo ’t een Ander heeft behaagd. Zijn schip vergaat, zijn straf is de hel. Levi ziet in gedachten zijn bergen, in Italië op weg van Milaan naar Turijn, en vermaant zichzelf de beelden weg te duwen. Te moeilijk. Hij probeert ondertussen Dante’s verzen te herinneren met een urgentie die zo pijnlijk voelbaar is in het contrast tussen literatuur en de verschrikkingen in Auschwitz. Een herinnering aan het menselijk bestaan op een plek waar alles buiten de grenzen van het voorstelbare valt. Langzaam beseft hij de betekenis van zijn citaten.

 ‘Ik houd Pikkolo tegen, het is absoluut, dringend nodig dat hij naar me luistert, dat hij dat zo ’t een Ander heeft behaagd begrijpt, voor het te laat is, morgen kunnen hij of ik dood zijn, of elkaar nooit meer terugzien, ik moet het hem uitleggen, hem vertellen van de middeleeuwen, van dat zo menselijke en noodzakelijke en toch onverwachte anachronisme, en meer nog, iets ontzaglijks dat ik zelf nu ook pas zie, in de ingeving van een ogenblik, het waarom van ons lot misschien, van ons hier zijn, nu …’

Levi en Pikkolo staan in de rij voor hun eten. De nieuw aangekomen gevangenen sluiten achteraan in de rij. Terwijl duidelijk wordt dat de soep die dag uit kool en rapen bestaat en zo geleidelijk de werkelijkheid zich opdringt, citeert Levi de laatste regel:

Tot boven ons de zee weer werd gesloten